Wat is er gebeurd?
Een incident op vliegveld Leipzig heeft recent blootgelegd hoe kwetsbaar de Duitse kritieke infrastructuur (KRITIS) is voor dreigingen vanuit de lucht. In een interview met het Protector Magazin legt Carsten Simons, directeur van LivEye GmbH, uit waarom het publieke debat over het neerhalen van drones voorbijgaat aan het eigenlijke zwakke punt: op veel locaties ontbreekt al de technische basis om drones in het eigen luchtruim betrouwbaar te herkennen en te lokaliseren.
De details
Volgens Simons zien veiligheidsverantwoordelijken in de operationele praktijk steeds vaker drones boven kritieke installaties die niet zijn aangekondigd en niet eenduidig te identificeren zijn. Zijn centrale punt: niet elke overvlucht is automatisch een aanval, maar elke onopgehelderde overvlucht is een veiligheidsincident dat beoordeeld moet worden. Wie niet weet dat er een drone nadert, waar deze zich bevindt en waar zich mogelijk de bestuurder ophoudt, kan geen effectieve beslissing nemen.
Als technische oplossing noemt Simons mobiele en modulaire systemen die op korte termijn een objectgericht drone-luchtbeeld kunnen opleveren, zonder dat exploitanten hoeven te wachten op grote, starre en dure stationaire totaalsystemen. LivEye zet daarbij in op passieve radiofrequentiesensoren, die afhankelijk van het risicoprofiel worden aangevuld met radar en optische en thermische camera's. Cruciaal is volgens hem dat deze sensorinformatie niet geïsoleerd blijft, maar wordt samengevoegd op één platform, geverifieerd en in real time naar de meldkamer wordt doorgestuurd. Met de producten LivEye Drone Detect en LivEye Drone Locate kunnen dergelijke capaciteiten volgens Simons op korte termijn worden ingezet en indien nodig worden opgeschaald.
Simons vergelijkt de basislogica met klassieke perimeterbeveiliging op de grond: dreigingen moeten vroegtijdig worden herkend, beoordeeld en volgens duidelijk vastgelegde procedures worden afgehandeld. Bij drones betekent dit dat binnen zeer korte tijd de situatie moet worden ingeschat en beschermende maatregelen moeten worden genomen – zoals het ontruimen van gevoelige gebieden, het aanpassen van bedrijfsprocessen, het gecontroleerd afschakelen van kwetsbare installaties of het in veiligheid brengen van medewerkers. Tegelijkertijd moeten positie, vluchtroute, vlieghoogte, tijdstip en indien mogelijk de locatie van de bestuurder worden gedocumenteerd en doorgegeven aan hulpdiensten.
Duiding
Simons maakt duidelijk dat een sensoralarm op zich geen schade of gevaar voorkomt. Effectieve bescherming ontstaat pas wanneer detectie, meldkamer, vastgelegde reactiemaatregelen en het alarmeren van autoriteiten naadloos op elkaar aansluiten en deze processen regelmatig worden geoefend. Daarmee komt naast de pure technische aanschaf ook de organisatorische volwassenheid nadrukkelijk op de voorgrond te staan.
Ook op regelgevend vlak ziet Simons behoefte aan actie. Hij hoopt dat de wetgever in de toekomst duidelijk omschreven mogelijkheden creëert waaronder gekwalificeerde exploitanten zelf mogen optreden tegen een drone die een directe dreiging vormt – tot en met kinetische afweer. Tegelijkertijd waarschuwt hij nadrukkelijk dat dit geen algemene vrijbrief mag worden om drones neer te halen. Een drone uit de lucht halen brengt nieuwe risico's met zich mee: verkeerde identificatie, neervallende onderdelen, gevaar voor omstanders, gevolgen voor het luchtverkeer en aanzienlijke aansprakelijkheidsvraagstukken. Daarnaast zijn er eisen op het gebied van opleiding, certificering, operationele leiding en documentatie.
Simons pleit daarom voor een gefaseerd model: exploitanten moeten juridisch waterdicht kunnen detecteren, lokaliseren en lokale beschermende maatregelen kunnen nemen, terwijl actieve afweerbevoegdheden voorbehouden blijven aan gecertificeerde teams, duidelijk omschreven dreigingssituaties en toezicht door de overheid.
Praktijktips
Voor veiligheidsverantwoordelijken op vliegvelden, bij energiebedrijven of in industriële installaties noemt Simons concrete eerste stappen op weg naar "C-UAS-ready":
- Begin met het opstellen van een reëel actuele situatie: welke dronebewegingen vinden daadwerkelijk plaats boven de locatie, uit welke richtingen komen ze, welke gebieden zijn bijzonder kwetsbaar?
- Definieer op basis daarvan beschermingszones, alarmniveaus en concrete maatregelen.
- Verduidelijk verantwoordelijkheden: wie beoordeelt het alarm? Wie informeert de directie? Welke lokale beschermende maatregelen worden ingezet? Wie alarmeert welke autoriteit?
- Pas daarna serieus bepalen welke sensorcombinatie en welke verdergaande afweercapaciteiten daadwerkelijk nodig zijn.
- Vertrouw niet alleen op techniek: een locatie is volgens Simons pas "C-UAS-ready" als techniek, mensen, processen en communicatie met de autoriteiten als één geheel functioneren.
Vooruitblik
Het incident in Leipzig zal het debat over dronebeveiliging bij KRITIS-locaties waarschijnlijk verder aanwakkeren. Simons' standpunt verschuift de focus van de emotioneel gevoerde discussie over neerhalen naar een nuchtere inventarisatie: zonder betrouwbare detectie en lokalisatie ontbreekt elke basis voor verdergaande maatregelen. Mocht de wetgever, zoals Simons hoopt, daadwerkelijk een gefaseerd model met duidelijk geregelde bevoegdheden voor gekwalificeerde exploitanten creëren, dan zou dit KRITIS-exploitanten meer handelingszekerheid bieden. Tot die tijd blijft het opbouwen van detectie- en meldketens de praktische eerste stap, die exploitanten al vandaag kunnen zetten met mobiele en modulaire oplossingen, zonder te hoeven wachten op grote regelgevende of technische totaaloplossingen.